top of page

Vrijheid of Verbondenheid?

13 uur geleden
15 minuten om te lezen

In zijn nieuwe boek The Social Paradox beargumenteert de evolutionair psycholoog William von Hippel dat vrijheid ten koste gaat van verbondenheid. Dit zou veel van onze problemen verklaren, zowel in werk als privé. In dit artikel werk ik zijn stelling uit en wat dit betekent in organisaties. Een long-read over vrijheid, autonomie en sociale verbinding. 


Vroeger keek ik vaak samen met mijn vrouw een serie, nu merk ik dat wij steeds vaker apart onze eigen series kijken. Zij kijkt dan series die vrouwen meer aanspreken (iets met ziekenhuizen), ik series die mannen meer aanspreken (iets met schieten). De kinderen zitten ondertussen elk op hun eigen schermpjes weer andere series te kijken (iets met manga). Elk volgt zijn of haar eigen authentieke voorkeuren. De verbinding die je samen vindt in samen lachen of samen gespannen kijken, wordt er wel minder door. 

Onze moderne wereld biedt meer mogelijkheden om je eigen voorkeuren te volgen dan ooit tevoren in de menselijke geschiedenis. Je kunt je eigen lievelingseten hebben, je favoriete serie en je kunt verschillende carrièrepaden volgen. Vergelijk dat met de situatie waarin onze voorouders leefden. Je werd jager (als man) of verzamelaar (als vrouw), keuze was er niet. Onderzoek wijst er overigens op dat jager-verzamelaars niet minder gelukkig zijn, vaak juist meer. We worden echter onweerstaanbaar aangetrokken door keuzevrijheid, als een vliegende insect door een lamp, met soms even destructieve gevolgen. 


het volgen van de behoefte aan autonomie kan wel leiden tot keuzes die sociale connectie verminderen

De aantrekkingskracht van keuzevrijheid ligt er in dat deze keuzevrijheid invulling geeft aan een fundamenteel menselijk (ook wel evolutionair) belang, dat van autonomie. De ervaring van autonomie wordt in de psychologie over het algemeen begrepen als het gevoel zelf de oorzaak of oorsprong van het eigen gedrag te zijn. M.a.w. jouw gedrag is jouw keuze. De zelfdeterminatie theorie (ZDT), een populaire theorie over motivatie, voegt hier authenticiteit aan toe. Je bent autonoom wanneer je vrijwillig en in lijn met je eigen belangen en waarden handelt. Dit is overigens niet hetzelfde als onafhankelijkheid of individualisme. Ook als je nauw samenwerkt met anderen kun je het gevoel hebben dat jouw gedrag jouw keuze is (om bijvoorbeeld een serie te kijken). Autonomie is dus niet strijdig met het belang van sociale connectie, maar het volgen van de behoefte aan autonomie kan wel leiden tot keuzes die sociale connectie verminderen. Om dit beter te begrijpen moeten we de evolutie induiken.


De evolutie van autonomie


Waarom zouden mensen het zo belangrijk vinden zichzelf als oorzaak of oorsprong van hun gedrag te ervaren? Psychologische basisbehoeften zijn vaak iets moeilijker te begrijpen dan fysieke behoeften, zoals de behoefte aan eten. Als biologische wezens kunnen wij immers niet zonder voeding. Om psychologische basisbehoeften te begrijpen, moeten we begrijpen waarom evolutie die behoefte in ons brein heeft gebouwd. Dit is het terrein van de evolutionaire psychologie. Een belangrijk onderscheid hier is dat tussen het evolutionaire belang, de behoefte en de invulling. Vergelijk het met eten. Er is een evolutionair belang om te eten (de noodzaak het lichaam van voedingsstoffen te voorzien) en om er voor te zorgen dat we dit belang invullen, heeft evolutie een behoefte ingebouwd (honger). De invulling van de behoefte is afhankelijk van een externe situatie (de aanwezigheid van eten). De behoefte richt zich hiervoor op specifieke kenmerken van de externe situatie (ook wel de stimulus), in het geval van eten zijn dit specifieke smaaksensaties. Voor een dieper begrip van een behoefte moet je dus zowel naar de evolutionaire functie er van kijken (het belang) en de stimuli waar het op reageert. De behoefte die iemand ervaart is wat we in de evolutionaire psychologie de proximale oorzaak noemen (dat wat het gedrag nu vormt), het evolutionaire belang is de ultieme oorzaak, de reden waarom de behoefte bestaat. 



Voor het evolutionaire belang van autonomie zijn twee mogelijke verklaringen. Ten eerste betekent de ervaring van autonomie dat je zelf in staat bent te sturen op de realisatie van jouw belangen. De functie van ons brein is het realiseren en het beschermen van evolutionaire belangen. Dit zijn in de basis belangen als overleven en voortplanten, maar dit zijn bij mensen ook zaken als vrienden maken of indruk maken op een potentiële (seksuele) partner. Wanneer je geen autonomie ervaart, dan kan het brein zijn primaire functie als het ware minder goed (of niet) uitvoeren. Het gevoel dat je aan het stuur zit is zo belangrijk. Von Hippel gaat vooral in op belangen rond meesterschap (waar ik later dieper op in zal gaan), maar we kunnen hier willekeurig belang nemen. Cruciaal is dat je zelf keuzes kunt maken die in lijn zijn met jouw belangen. Dit betekent in de praktijk (proximaal) dat je kunt handelen in lijn met wat jij als belangrijk ervaart. Dit zijn bijvoorbeeld jouw interesses, motivaties, behoeften, waarden of passies. Dit is ook in lijn met hoe autonomie wordt gemeten in ZDT.


Von Hippel gebruikt, zoals gezegd, het evolutionaire belang van meesterschap als voorbeeld. Jager-verzamelaars moeten veel leren om te kunnen overleven. Een dier vangen met pijl en boog of een speer is niet eenvoudig. Word je goed in iets, dan heb je daarbij waarde voor de groep (je voelt jezelf nuttig) en dit draagt weer bij aan sociale connectie. Word je heel goed in iets, dan kun je status krijgen, waardoor je een voorbeeld wordt voor anderen en meer invloed in de groep krijgt. Meesterschap, status en connectie zijn evolutionair uitermate belangrijk. Het is daarom belangrijk te ontdekken waar jouw talenten liggen en waar jij jezelf kunt onderscheiden. Dit betekent interesses volgen en keuzes kunnen maken die jou meer liggen. Als blijkt dat jij meer talent hebt om stenen bijlen te maken, dan is het belangrijk dat jij die passie kan volgen. 



De zwarte ononderbroken lijn is de netto voedselproductie van een mens (productie minus consumptie), de grijze lijn die van een chimpansee. Met vijf jaar oud kan een chimpanseejong al zijn eigen kostje bij elkaar verzamelen, in jager-verzamelaar groepen is dit voor de mens gemiddeld pas rond het 20e levensjaar. De piek wordt pas rond de vijftig jaar oud bereikt. 


Een tweede verklaring ligt in de afwezigheid van dwang. Jager-verzamelaar groepen zijn altijd strikt egalitair, dwingend (dominant) gedrag wordt niet getolereerd. Dwang is niet alleen een risico voor jezelf (iemand dwingt zijn belang af ten koste van jou), maar ook voor de groep. Samenwerking heeft veel meerwaarde voor mensen, maar wanneer een iemand in de groep zich dominant opstelt en een disproportioneel deel van die winst van die samenwerking pakt, dan neemt die meerwaarde snel af. De zorg hier over heeft diepe evolutionaire wortels, daar dit type dominant gedrag standaard is bij andere primaten. De weerstand tegen dominant gedrag is een manier om de meerwaarde van samenwerking te beschermen. Ik heb zelf veel onderzoek gedaan naar dominant gedrag van leidinggevenden, een van de effecten was dat medewerkers minder gemotiveerd waren om samen te werken onder een dominante leidinggevende. Mensen hebben een instinctieve afkeer tegen dwang, vandaar dat de zin “jij moet …” ook zo voorspelbaar weerstand oplevert. Ook dit aspect komt terug in metingen van autonomie in ZDT (autonomy frustration heet dit hier). 


De trade-off tussen vrijheid en verbinding


Net als autonomie is ook sociale connectie een evolutionair belang. De mens is afhankelijk van de ander om te overleven, en het hebben van sterke en positieve sociale connecties is daarom een fundamenteel evolutionair belang (in ZDT heet dit relatedness). De afkeer van dwang laat zien dat autonomie voorwaardelijk is voor sociale connectie . Onderzoek laat ook zien dat de ervaring van autonomie een sterke voorspeller is van psychologisch veiligheid in teams. In teams waarin jouw autonomie wordt gerespecteerd ervaar je eerder veiligheid en verbinding. Dit is ook in lijn met ZDT, die stelt dat autonomie en sociale connectie (relatedness) elkaar juist versterken. In een omgeving waarin ieders identiteit wordt geaccepteerd en gerespecteerd, kunnen mensen zowel autonomie ervaren als diepe sociale connectie. Hoe ontstaat dan de trade-off waar von Hippel het over heeft?



Wanneer mensen gemotiveerd zijn keuzes te maken die in lijn liggen met hun waarden en talenten (de meer authentieke keuzes), dan betekent het hebben van meer keuze automatisch dat zij vaker keuzes zullen maken die anders zijn dan die in hun directe sociale omgeving. Ik ken bijvoorbeeld niemand meer waarmee ik ooit eindexamen deed. Op mijn 18e vertrok ik uit mijn ouderlijke woonplaats en ik heb nooit meer teruggekeken. Ik wilde iets anders. Vergelijk dit met een jager-verzamelaar groep, waarin de mensen met wie je opgroeit ook de mensen zijn met wie je werkt en leeft. De combinatie van meer keuzes en de motivatie om meer authentieke keuzes te maken, leidt tot het optimaliseren voor autonomie. Dit kan weer een negatieve impact hebben op sociale netwerken en zo de invulling van het evolutionaire belang van sociale connectie. Meer keuzes op Netflix, betekent dat ik ga optimaliseren op persoonlijke voorkeur, wat het uiteindelijk minder gezellig maakt thuis. Steeds meer mensen komen echter niet eens zo ver dat ze een gezin gaan vormen. In een omgeving waar partnerkeuze beperkt is, is de keuze snel gemaakt (en huwlijken niet noodzakelijk slechter). In een miljoenenstad is de kans echter een stuk groter dat ergens de ware rondloopt, die ene speciale persoon waar jij een bijzondere klik mee hebt. Dan wordt uitstel van het aangaan van een serieuze relatie (en zeker kinderen) een logische optie. Dit is ook een van de verklaringen waarom mensen in grotere steden gemiddeld langer wachten met trouwen en kinderen en daardoor ook steeds vaker ongewenst kinderloos blijven. Von Hippel beschrijft dit alles als het effect van evolutionaire mismatch. 


Sex and the city is een serie over de levens van vier vrijgevochten vrouwen in New York die hun onafhankelijkheid, seksualiteit en vriendschap centraal stellen.
Sex and the city is een serie over de levens van vier vrijgevochten vrouwen in New York die hun onafhankelijkheid, seksualiteit en vriendschap centraal stellen.

Autonomie en fastfood


De mens is geëvolueerd in een omgeving van schaarste. Smaken als zoet, zout en vet wijzen op een hoge voedingswaarde en ons systeem heeft hier een sterke voorkeur voor. Jager-verzamelaars nemen bijvoorbeeld grote risico’s om honing te bemachtigen en nemen grote moeite om aan zout te komen. Bij ons zijn die smaken in overvloed en vooral aanwezig in ongezond eten. Mijn primaire voedingsbehoefte bestaat daarom uit chips, bier en stroopwafels. Behoeften die bij onze voorouders cruciaal waren voor overleven, veroorzaken zo in de moderne wereld obesitas. Dit is evolutionaire mismatch: de moderne omgeving is anders dan de omgeving waar ons brein voor is geprogrammeerd (dit is overigens ook de reden waarom insecten tegen elektrisch licht aanvliegen). Dit maakt dat sommige van onze behoeften (zoals lekkere trek) disfunctioneel worden en ons zelfs kunnen schaden. De behoefte zelf is zo niet altijd een betrouwbaar iets, zelfs als het uit een evolutionair belang voortkomt. 


Voor westerlingen kunnen traditionele gemeenschappen daardoor ook als verstikkend voelen, iedereen zit continu op je neus.

Kunnen we de voedingsmetafoor doortrekken naar autonomie? Von Hippel stelt dat dit inderdaad kan. Net als zoet, zout en vet eten, was autonomie een schaarse resource in de wereld van onze voorouders. Een kennis van mij was ooit voor haar studie een tijdje bij een jager-verzamelaar groep. Wat haar opviel was dat mensen nooit alleen waren. Toen zij zelf een keer even alleen op stap wilde, kwamen er direct mensen achter haar aan. Wat ga je doen alleen? Daarbij zijn er altijd heldere normen voor hoe je wel en niet gedraagt, daar van afwijken kan serieuze consequenties hebben. In een groep die voor overleven afhankelijk is van elkaar, is ongedwongen je eigen interesses volgen iets waar beperkt ruimte voor was. Voor westerlingen kunnen traditionele gemeenschappen daardoor ook als verstikkend voelen, iedereen zit continu op je neus. We hebben echter een belang de ruimte die er is te pakken en zijn ook gemotiveerd dat te doen. Dit is de behoefte aan autonomie. 


Von Hippel omschrijft De enorme keuzemogelijkheden en keuzevrijheid die we hebben in onze moderne wereld als een supernormale stimulus. Wanneer we ons instinct een uitvergrote prikkel (stimulus) geven, dan raakt de motivatie ook uitvergroot. Daarom raken we meer gemotiveerd door een cheesecake dan door een appel. Waarden, interesses en belangen variëren per persoon. Hoe meer kansen er zijn een goede aansluiting te vinden, hoe sterker mensen gemotiveerd zijn die te pakken. Een serie kijken met mijn vrouw is leuk, maar nog leuker voor mij is een serie te kijken die direct aansluit bij mijn interesses en identiteit. Zoals Mindhunter, een geniale en op feiten gebaseerde serie over het ontstaan van behavioral profiling voor het opsporen van seriemoordenaars. Dit is als cheesecake voor mijn brein en ik heb de hele serie ook helemaal alleen uitgekeken. 


In de serie Mindhunters zijn veel van de gesprekken met seriemoordenaars letterlijk overgenomen uit de transcripties van de interviews in gevangenissen. 
In de serie Mindhunters zijn veel van de gesprekken met seriemoordenaars letterlijk overgenomen uit de transcripties van de interviews in gevangenissen. 


Ongezonde keuzes


Als we keuzevrijheid en keuzemogelijkheden kunnen vergelijken met honing en fastfood, dan kunnen we sociale connectie vergelijken met sport. Voor onze voorouders was er aan fysieke inspanning geen tekort, je moest immers achter je eten aanrennen. We hoeven dus niet een bewuste en sterke voorkeur te hebben voor lichaamsbeweging, ook al is het heel belangrijk voor onze gezondheid. Voor sociale connectie geld iets vergelijkbaars. Het belang van sociale connectie is een fundamenteel evolutionair belang. Onderzoek op onderzoek laat zien dat de kwaliteit van connectie de belangrijkste voorwaarde is voor een lang, gezond en gelukkig leven. Ons systeem heeft connectie nodig, zoals het ook lichaamsbeweging nodig heeft. In veel onderzoeken komt sociale connectie zelfs als een belangrijker voorspeller voor gezondheid naar voren dan lichaamsbeweging. Tegelijkertijd hebben we niet de bijpassende motivatie om connectie te creëren of te onderhouden, net zoals we niet de passende motivatie hebben om aan het sporten te gaan. We gaan bijvoorbeeld een moeilijk gesprek uit de weg en vermijden moeilijke mensen, omdat we daar vaak mee weg kunnen komen in onze moderne wereld. Je hebt elkaar niet echt nodig, dus is er geen echte noodzaak. Onze behoefte aan autonomie volgen (die serie kijken die mij aanspreekt) voelt daarbij vaak aantrekkelijker, net als op de bank zitten met chips aantrekkelijker voelt dan groenten eten en hardlopen. 


Als we beter onszelf zouden begrijpen en onze autonomie beter leren gebruiken, dan kunnen wij ook in deze moderne wereld diepe vervulling vinden

De tegenwerping hier is dat wij in onze moderne wereld nieuwe groepen kunnen vinden die wel aansluiten bij onze diepere behoeften. Als we beter onszelf zouden begrijpen en onze autonomie beter leren gebruiken (zelfregulatie), dan kunnen wij ook in deze moderne wereld diepe vervulling vinden. Los van de vraag of dit realistisch is (ik denk het niet), is het de vraag of dit ook tot diepe banden leidt. Het feit dat je in onze moderne omgeving een andere groep kunt kiezen wanneer je huidige groep jouw gevoel van autonomie niet meer ondersteunt (omdat ik er bijvoorbeeld onvoldoende ruimte ervaar voor mijn waarden en identiteit), creëert een zekere vrijblijvendheid. Ik heb nooit hetzelfde commitment naar een groep waarvan ik weet dat ik er zo weg kan en/of weet dat ik dat op een zeker moment ga doen. Mensen ervaren de diepste verbinding juist in situaties waarin ze elkaar echt nodig hebben, zoals in oorlog of een crisis. Het gaat dan niet over of je dezelfde passies deelt, maar om gedeelde belangen (zoals overleven).



In de VS gaf in een onderzoek van PEW research 16% van volwassenen aan zich meestal of altijd eenzaam te voelen. Onderzoek in Nederland gaf aan dat ruim 10% van volwassenen ernstige eenzaamheid ervaart, met nog eens 30% die zich regelmatig eenzaam voelt. Dit zijn percentages die ondenkbaar waren bij onze voorouders en die ernstige gevolgen hebben voor zowel fysiek als psychologisch welzijn. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat ernstige eenzaamheid de kans op sterven met zo’n 30% verhoogd. Mensen hebben vrienden nodig, tussen de vier en zes intieme vrienden om precies te zijn. Dit blijkt optimaal voor psychologisch welzijn. Een aanzienlijk deel van volwassenen heeft echter minder dan drie intieme vrienden (onderzoek in de VS kwam op gemiddeld 2 a 3 intieme vrienden). Sociale verbinding is een uitdaging in onze moderne wereld, net als gezond leven. In die zin zou de kwaliteit van je sociale netwerk veel meer een integraal deel moeten zijn van ons denken over welzijn en gezondheid. Von Hippel raad de lezers aan meer gericht in hun sociaal leven en relaties te investeren, bijvoorbeeld samen een spel spelen in plaats van apart op schermpjes. 


In een complex systeem gaat het optimaliseren op een doel in de regel ten koste van een ander doel (de trade-off). Optimaliseren op persoonlijke voorkeuren gaat op dezelfde manier ten koste van sociale connectie.
In een complex systeem gaat het optimaliseren op een doel in de regel ten koste van een ander doel (de trade-off). Optimaliseren op persoonlijke voorkeuren gaat op dezelfde manier ten koste van sociale connectie.

Vrijheid en verbondenheid in organisaties


In het boek De Natuurlijke Organisatie beargumenteren Mark van Vugt en ik dat er in organisaties nog veel ruimte is om zowel autonomie als sociale connectie te verbeteren. De wijze waarop organisaties nu vaak in elkaar zitten, spreekt ons belang van autonomie vaak sterk aan, terwijl de behoefte aan autonomie in de praktijk vaak onder druk staat. Om deze paradox te begrijpen, zal ik de voedingsmetafoor weer gebruiken: overal is fastfood, maar weinig gezond eten. Wat is hier de fastfood en wat gezond eten?


Organisaties spreken medewerkers vaak primair aan op hun individuele belang, met name in belangen rond meesterschap en status (waar kun jij je onderscheiden, waar haal jij het beste uit jezelf). Carrière, of het nu hiërarchisch is of in andere groeimogelijkheden, werkt hier als een supernormale stimulus. Net als bij series krijgt de neiging individualistische keuzes te maken de overhand. Ook het gebrek aan lichaamsbeweging kunnen we er weer bij halen. De manier waarop we organiseren stimuleert geen sociale verbinding. In De Natuurlijke Organisatie beschrijven we een aantal ecologische specificaties voor organisatie. Deze hebben betrekking structurele eigenschappen die een belangrijke rol spelen bij de invulling van evolutionaire belangen. Kijken we naar het belang van sociale connectie dan zijn voorbeelden van deze specificaties het aanhouden van de menselijke maat, stabiliteit van groepen, een gezamenlijk belang (denk aan het eerdere voorbeeld van crisis) en een gezamenlijke identiteit. Zijn deze zaken aanwezig, dan is er een context waarin iets gezamenlijks kan ontstaan. Je zou het een psychologische schijf van vijf kunnen noemen (in relatie tot connectie). In de praktijk zien we dat deze randvoorwaarden vaak beperkt worden ingevuld. Mensen hebben bijvoorbeeld strijdige belangen omdat ze met hun eigen individuele doelen bezig zijn en daarbij vaak concurreren met elkaar. Om die reden is samenwerking ook vaak een uitdaging in organisaties.



Ondanks dat er veel ruimte lijkt te zijn voor autonomie, is deze er in de praktijk niet altijd. Wat is de schijf van vijf voor het belang van autonomie? Mensen moeten een zekere keuzeruimte ervaren, maar die keuzeruimte bestaat altijd in de context van de eisen van samenwerking. Vergelijk het met een fysieke ruimte. Deze wordt gedefinieerd door muren. Ik zie in organisaties vaak twee soorten problemen. De eerste is de afwezigheid van die muren (hier de doelen, kaders, normen etc.). Het idee is dat autonomie gaat over vrijheid en vrijheid betekent het wegnemen van alle beperkingen. Paradoxaal genoeg betekent dit juist de afwezigheid van keuzeruimte en mensen ervaren deze situatie over het algemeen ook als onprettig. Je moet weten wat van je verwacht wordt en welke ruimte je hebt. De afwezigheid van muurtjes leidt van tot ongezonde situaties (verwaarloosde organisaties) in de reactie hierop ontstaat vaak het tweede probleem: geen ruimte.


Werkinrichting en hiërarchie kunnen de ruimte zo heel klein en verstikkend maken.

In veel organisaties wordt autonomie geschaad door teveel beperkende procedures en werkprocessen, of bijvoorbeeld door een overmaat aan vergaderingen. In een onderzoek werd gevonden dat elke extra dag vergadervrij, substantieel bijdroeg aan het gevoel van autonomie van medewerkers. Dit vertaalt zich weer naar meer motivatie en minder stress. De controlezucht en vergadercultuur in veel organisatie schaadt zo het belang van autonomie. Daarbij komt de rol van de leidinggevende. In organisaties hebben we altijd te maken met hiërarchie en daarmee de aanwezigheid van machtsverschillen. Macht wordt in de wetenschap gedefinieerd als het vermogen te dwingen, en wanneer machtsverschillen onderdeel zijn van het organisatiesysteem, is er altijd een risico voor autonomie. Sterker, wanneer mensen macht krijgen hebben ze eerder de neiging zich dwingend op te stellen. In de natuurlijke context (jager-verzamelaar groepen) is er nooit machtsverschil en wordt dwingend gedrag niet getolereerd. Werkinrichting en hiërarchie kunnen de ruimte zo heel klein en verstikkend maken.


De schijf van vijf voor het belang van autonomie, bestaat uit medewerkers echte keuzeruimte geven. In mijn werk in organisaties gebruik ik zelf de volgende richtlijnen hiervoor:


  1. Zorg dat er een heldere rolomschrijving is (iemand weet wat zijn/haar doelen en verantwoordelijkheden zijn in het werk).

  2. De medewerker moet hier vrijwillig akkoord mee gaan (het beste is de medewerker te betrekken in het vormgeven van de rol)

  3. Hij/zij moet voldoende professionele ruimte hebben, d.w.z keuzes kunnen maken en beslissingen kunnen nemen die noodzakelijk zijn om de rol goed in te vullen.

  4. Deze ruimte moet gerespecteerd worden, met name door de leidinggevende – er is dus geen dwang.

  5. Er is inspraak in beslissingen die het team aangaan (zoals hoe rollen vorm krijgen en verdeeld worden).


Zijn deze randvoorwaarde goed ingevuld, dan is de behoefte aan autonomie in de regel goed ingevuld. Er is dan voldoende ruimte voor de medewerker om zijn of haar authentieke invulling te vinden.

Wil je meer weten over hoe organisaties op een meer menselijke manier in te richting?



Meer weten over de sociale paradox? Hier vindt je het boek van William von Hippel

Meer artikelen vind je hier: https://www.ceob.eu/blog



Naschrift voor de nerds

Ik ben zelf altijd een fan geweest van de zelfdeterminatie theorie (ZDT) en heb deze vaak gebruikt in mijn rol als docent psychologie. Persoonlijk denk ik echter dat ZDT op termijn geen toekomst heeft als het niet een serieuze evolutionaire verdieping maakt.


Een van de wetenschappelijke kritieken op ZDT is de mate waarin het voor metingen leunt op subjectieve beleving. Eerder schreef ik dat voor een dieper begrip van een behoefte, je zowel naar de evolutionaire functie er van moet kijken, als de (objectieve) stimuli waar het op reageert. In onderzoek in organisaties wordt in de regel ook meer gekeken naar die meer objectieve omstandigheden, zoals het vermogen het eigen werktempo te bepalen. Vervolgens wordt ook gekeken naar meer objectief gedrag, zoals prestatie en initiatief.


In de evolutionaire psychologie (EP) wordt bij het analyseren van een psychologisch fenomeen (zoals de behoefte aan autonomie) in eerste instantie gekeken naar wat de mogelijke evolutionaire functie kan zijn. Welk adaptieve probleem zou dit proximale mechanisme helpen oplossen? Vanuit die analyse worden mogelijke (cognitief/emotionele) mechanismen voorgesteld die dit probleem oplossen. Dit zijn je hypotheses. Die hypotheses worden vervolgens op verschillende manieren onderzocht, zoals met experimenteel onderzoek, veldonderzoek of zelfs hersenonderzoek. Wanneer andere diersoorten soortelijke uitdagingen hebben, wordt gekeken naar wat we kunnen leren van het gedrag van die dieren. En uiteraard wordt cross-cultureel gekeken of het fenomeen daadwerkelijk universeel is. Er zijn in de EP zo altijd meerdere bewijslijnen, wat deze benadering wetenschappelijk de krachtigste maakt die er is (als het gaat over psychologie). Lees meer hierover


De subjectieve meting van een behoefte vertelt je niets over hoe die behoefte het best ingevuld kan worden (denk weer aan het voorbeeld van voeding in het artikel). EP plaatst de behoefte in een breder perspectief en geeft ook indicaties van welke meer objectieve situationele eigenschappen (cue's of stimuli) relevant zijn voor deze behoefte. Dit is kritiek wanneer we de slag naar de praktijk willen maken. Veel kritiek vanuit de wetenschap op SDT heeft ook betrekking op de praktische toepasbaarheid.


SDT heeft een schat aan waardevolle kennis en inzichten, maar zonder evolutionair kader blijft het beperkt in ontwikkeling en toepasbaarheid. Uiteraard zijn er al wetenschappers die dit pad op zijn gegaan. Neem een recent artikel van Peter Osei, een onderzoeker op het snijvlak van motivatiepsychologie en ontwikkelingsbiologie, en David F. Bjorklund, een vooraanstaand evolutionair ontwikkelingspsycholoog. Zij stellen een dynamisch systeemmodel voor dat de zelfdeterminatietheorie (SDT) integreert met evolutionair ontwikkelingspsychologische inzichten. Lees hier hun artikel: https://link.springer.com/article/10.1007/s10648-024-09934-6

 
 
 

Opmerkingen


CEOB lda 

bottom of page